Het meten van het magnetisch
veld en het volgen van de veranderingen vereist
zeer precieze instrumenten: de magnetometers. (foto 1)
Om het oude magnetische veld terug te vinden in een
object dat de sporen ervan bewaarde, gebruikt men een
cryogene magnetometer. Als de magnetische geschiedenis
van een plaats gekend is, kan men deze kennis toetsen
met andere methoden om de objecten die men er ontdekt,
te dateren. Omgekeerd kan de datering van bepaalde objecten
via andere methoden dan deze gebaseerd op magnetisme,
toelaten om de magnetische geschiedenis van geologische
lagen waarin ze gevonden werden, te traceren.
Het is door vergelijking van de magnetische geschiedenis
van gesteente uit ver van elkaar gelegen gebieden, dat
men kan bewijzen dat deze gebieden ooit buren waren,
namelijk voor de continentendrift hen scheidde. Ook
sommige industriële toepassingen doen een beroep
op de technieken van geomagnetisme. Zo worden boordinstrumenten
van vliegtuigen of instrumenten op vlieghavens ermee
afgesteld.
De exacte tijd die wij vandaag gebruiken, is bepaald
door atoomklokken. Om de klokken, die zich in verafgelegen
laboratoria bevinden, te vergelijken, gebruikt men het
GPS-satellietsysteem. (foto 2)
De klokken uit verschillende laboratoria worden simultaan
vergeleken met de klok van een zelfde satelliet door
meting van de aankomsttijd van de signalen in elk labo.
Men leidt er vervolgens het verschil tussen de horloges
in de labo’s uit af. De zo verkregen precisie
valt in de grootteorde van een miljardste van een seconde
per dag voor het vergelijken van klokken op duizenden
kilometers afstand van elkaar.
De seismologie bestudeert aardbevingen, meet ze en
brengt ze in kaart, zowel de grote als de kleine. Daarvoor
beschikt België over een netwerk van stations met
seismografen. Het jaarlijks gemiddelde in ons land is
een tiental grote en middelgrote bevingen. Na elke schok
die de bevolking voelt, wordt een macroseismische kaart
opgesteld op basis van systematische enquêtes.
Alles wat vereist is voor het opstellen van een kaart
met de kans op aardbevingen in ons land wordt uitgevoerd.
Zo doet men historisch onderzoek naar schokken uit de
laatste duizend jaar en paleoseismologisch onderzoek
naar de grote aardbevingen van de laatste honderdduizend
jaar. Men bestudeert de langzame tektonische
vervormingen van de aardlagen met de hulp van een absolute
gravimeter
(foto 3) en met GPS-positiebepaling.
Er gebeuren metingen met extensometers
in natuurlijke grotten en men zoekt naar plaatselijke
effecten in de bodem tijdens zware aardbevingen in België.
Dankzij de ruimtevaart heeft het Marsonderzoek vanaf
de jaren zestig een grote vooruitgang gekend. Voor de
nabije toekomst worden de missies Mars Express en Netlander
voorbereid. Het Belgisch Instituut voor Ruimte-Aëronomie
werkt mee aan het experiment Spicam-Light aan boord
van de eerste missie.
De Mars Express orbitor
, waarop het instrument Spicam geplaatst is, moet na
het droppen van landingsgestel Beagle 2, zichzelf in
een baan
plaatsen en het geheel van de planeet observeren gedurende
een Marsjaar (zijnde twee Aardjaren).
Het experiment Spicam-Light heeft de studie van de chemische
samenstelling en de dynamische evolutie van de atmosfeer
van Mars als doel. Hiervoor gebruikt men een UV-IR-spectrometer
(ultraviolet
en infrarood), volledig op punt gesteld door het
Belgisch Instituut voor Ruimte-Aëronomie.
De onderzoeksresultaten zullen, bijvoorbeeld, gevolgen
hebben op de denkbeelden over de ruimtepakken en ondersteunende
leefsystemen voor toekomstige astronauten die naar Mars
gaan.
De Netlander-missie zal een netwerk van vier geofysische
meetstations aan het oppervlak ontplooien. (video 1)
De stations sturen hun waarnemingsgegevens naar een
satelliet in een baan om Mars, die alles verder doorstuurt
naar de Aarde. Het geheel van de verzamelde gegevens
zal, net zoals voor de Mars Express Missie, toelaten
om het inwendige, het oppervlak en de atmosfeer van
de planeet beter te leren kennen, en de evolutie ervan
beter te begrijpen.
De Koninklijke Sterrenwacht van België neemt
actief deel aan één van de experimenten
op NetLander: het experiment NEIGE (NEtlander Ionosphere
and Geodesy Experiment). Dit meet de frequentievariaties
(Doppler Effect) van radiosignalen die gepaard gaan
met de transmissie van data tussen de stations en de
satelliet, maar ook tussen de satelliet en de Aarde.
Het gebruik van twee verschillende frequenties voor
het radiosignaal zal, aan de ene kant, toelaten om de
Doppler metingen verstoord door de aanwezigheid van
de ionosfeer te corrigeren, en aan de andere kant, de
studie van de verspreiding van geladen
deeltjes in de ionosfeer mogelijk te maken. Dit
laatste is één van de objectieven van
NEIGE. Het voor de ionosfeer gecorrigeerde signaal zorgt
er ook voor dat het team van de Sterrenwacht het geodetisch
doel van het experiment NEIGE kan verwezenlijken: het
verkrijgen van de oriëntatie- en rotatieparameters
van Mars. Men zal heel precies de variaties in de rotatiesnelheid
kunnen bepalen (en dus ook de duur van een dag). Ook
variaties in de positie van de rotatie-as en de poolbeweging
van de planeet zullen bepaald worden. Vermits de rotatie
van een lichaam afhangt van zijn structuur, zal deze
studie toelaten om enkele interessante eigenschappen
van de inwendige structuur van Mars (fysische kenmerken,
dichtheid en dimensies van de kern bijvoorbeeld) af
te leiden. Ook veranderingen in massa en druk in de
atmosfeer
veroorzaakt door de seizoensgebonden processen van sublimatie/condensatie
op de poolkappen zullen bepaald worden.
Dankzij een CCD
camera geïnstalleerd op een telescoop, bijvoorbeeld
aan de Koninklijke Sterrenwacht van België, (foto 4)
kan men in België kleine planeten ontdekken. Eén
van de methoden bestaat erin dezelfde regio in de hemel
vijf opeenvolgende keren te observeren, met 10 tot 15
minuten tussen elke waarneming. Computersoftware bepaalt
vervolgens de positie van alle objecten aanwezig op
het beeld. De objecten die op dezelfde plaats staan
op meer dan één beeld worden grijs gekleurd,
terwijl objecten die slechts één keer
op een welbepaalde plaats staan op één
enkel beeld respectievelijk blauw, groen, geel, oranje
en rood gekleurd zijn. De sterren verschijnen aldus
in het grijs, terwijl kleine planeten, die bewogen,
een “regenboog” op het beeld vormen.
Men kan ook verschillende beelden combineren om de beweging
van de kleine planeet ten opzichte van de sterren duidelijk
te maken.
De in
situ studies naar de samenstelling van een komeet
en de evolutie van zijn structuur tijdens het naderen
van de Zon is één van de voornaamste doelstellingen
van de missie Rosetta. Na een lange vliegfase, zal de
satelliet een welbepaalde komeet tegenkomen en eromheen
wentelen om er de materie te bestuderen. (foto 5)
Het
Belgisch Instituut voor Ruimte-Aëronomie participeert aan deze missie via het project
ROSINA (Rosetta Orbiter Spectrometer for Ion and Neutral
Analysis). De belangrijkste wetenschappelijke doelen
ervan zijn de analyse van de gasachtige elementen van
de komeet, het bepalen van de samenstelling van vluchtige
elementen en het karakteriseren van de kern.
|